|
Vilsteren
Landgoed op de grens van het Vechtdal en het Sallandse dekzandlandschap.
De geologische geschiedenis van de Vecht begint aan het einde van het Saalien, de voorlaatste ijstijd. Tussen het Drentse keileemplateau en de Overijsselse stuwwallen was gedurende het Saalien een breed dal gevormd, ook wel het dal van de Oervecht genoemd. De Oervecht was zo’n 10-15 km breed. Ook Duitse rivieren zoals de Ems, Elbe en Weser die werden geblokkeerd èn gevoed door het ijsfront, stroomden via dit brede dal door Nederland. Na het afsmelten van het Landijs is dit dal opgevuld met door lokale rivieren aangevoerd zand en grind. In het brede dal bevond zich een stelsel van vlechtende rivierlopen, die telkens van positie veranderden en zodoende een vlakke licht hellende riviervlakte konden opbouwen
Na de jongste ijstijd werden grote delen van de brede riviervlakte voorgoed door de rivieren verlaten; alleen aan de randen bleven rivieren bestaan: de huidige Vecht in het zuiden en de Reest in het noorden. De Vecht ontwikkelde zich tot een periodiek zeer actief meanderende rivier. Door de geringe erosiebestendigheid van de smeltwaterafzettingen en het dekzand/stuifzand langs het dal van de Vecht konden meanderbochten diep in de oever invreten. In de binnenbochten ontwikkelden zich uitgestrekte kronkelwaardlandschappen met afwisselend richels en geulen en op de hoogste delen rivierduinen. Een in het Vechtdal veel voorkomende vegetatie op deze duinen is het Jeneverbesstruweel (foto). De kronkelwaarden zelf werden gebruikt als gemeenschappelijke weide gronden, koelanden genaamd. Op deze graslanden heeft zich door een eeuwenoud hooilandbeheer een unieke stroomdalflora ontwikkeld. Een gaaf voorbeeld van een meanderbocht met kronkelwaardreliëf is de afgesneden loop op het landgoed Vilsteren. Uniek is de scherpe bocht die de meander hier maakt. Dit fenomeen kan alleen optreden als van een zeer dynamische meanderende rivier lokaal de oever word vastgelegd, bijvoorbeeld om waardevol bouwland te beschermen. Aan weerszijde van deze meander liggen relicten van meanderbochten uit een oudere fase van het meanderende vechtsysteem. De restgeulen van deze meanders zijn vrijwel geheel dichtgeslibd en verland. Aan de boogvormige stijlrand op de grens met het dekzand kunnen we herkennen dat ooit de Vecht hier stroomde. Vanaf ca. 1900 is men begonnen de Vecht te kanaliseren en zijn in totaal 69 meanders afgesneden.
Het dekzandgebeid bestaat uit afwisselend dekzandvlakten dekzandruggen met oude bouwlanden De bouwlanden worden in een aantal gevallen omgeven door hoge landduinen. Stuifzand is hier ingevangen in de houtwal die het bouwland omringde De stuifzandgronden zijn nu geheel met bos vastgelegd. De oorspronkelijke terreinvormen van het stuifzandgebied zijn hierdoor grotendeels bewaard gebleven
|